Draagvlakversterkers of ontwikkelaars?

Column voor de KPA/Wilde Ganzendag – 3 oktober 2009

Mijn eerste kennismaking met een subsidiegever was in het jaar 2000. We waren een nog piepjonge stichting met een handjevol mensen dat een drinkwaterproject in Gambia wilde steunen. Maar hoe pak je dat aan? Fondsen werven, projecten opzetten – alles was nieuw voor ons.

Tot één vrijwilliger een geniaal idee kreeg: we gaan een jeu de boules toernooi organiseren om geld op te halen. En hij ontdekte nog iets: er was een organisatie waar de je opbrengst kon laten verdubbelen. Zomaar! Wilde Ganzen heette die club. En hoera, het lukte nog ook. 750 gulden werd zomaar 1500 gulden. We trakteerden onszelf tijdens de eerstvolgende vergade-ring op taart.

Vandaag stel ik me, met terugwerkende kracht, een vraag over deze subsidie. Waarom gaf Wilde Ganzen ons eigenlijk geld?
– Was dat voor die waterput in Gambia?
– Of was het omdat wij een jeu-de-boulesmiddag hadden georganiseerd, waar we mensen had-den verteld over het project?

Hoe zag Wilde Ganzen ons?
– Waren we een kleine ontwikkelingsorganisatie?
– Of waren we een organisatie gericht op het scheppen van draagvlak?

Huwelijk

Hun ene gezicht is dat zij draagvlak willen versterken.
Het andere gezicht is dat zij ontwikkelingswerk willen steunen.

Draagvlak en ontwikkelingswerk zitten dus samen in één huwelijk. En vanaf de trouwdag zijn er spanningen. Want het huwelijk is niet gelijkwaardig. Van meet af aan was draagvlak be-langrijker dan ontwikkeling. De werkelijke waarde van de particuliere initiatieven, zo meen-den de organisaties en de minister die hen steunde, die lag op draagvlak. Daarom kregen onze projecten steun.

Ik vond, en vind, dat een dubieuze keuze. Want wat moet je in zo’n geval met een doe-het-zelver die beroerde ideeën heeft? Met een particuliere ontwikkelaar die me vorige week ver-telde dat hij vier afgedankte vuilniswagens naar Zuidelijk Afrika wil sturen? Of met een uit West-Afrika teruggekeerde toerist die, ik verzin het niet, een hele container bh’s verscheepte in de volle overtuiging dat Afrikaanse vrouwen niets liever wilden dan een fraaie beugelbra van Hennes & Maurits?
Ga je voor het draagvlak, dan steun je hun inspanningen, hoe krankzinnig ze ook zijn. Maar ga je voor ontwikkeling, dan voer je een ontmoedigingsbeleid, ook al help je daar hun enthou-siasme mee om zeep.

Mentality Milieus
Het is 2007. Mijn stichting ‘Het Goede Doel’ wil opnieuw geld ophalen, ditmaal voor een landbouwproject in Malawi. Ons project lijkt kans te maken bij NCDO. We downloaden het aanvraagformulier, en onmiddellijk valt ons op dat de eisen fors strenger zijn geworden. De handleiding alleen al telt 26 pagina’s. De aanvraag zelf telt er 12. Dat is andere koek dan ze-ven jaar geleden bij Wilde Ganzen.

Van de strengere eisen aan onze projecten in het Zuiden schrikken we niet. Sterker nog: die vinden we logisch. Waar we wél van schrikken zijn de vragen over onze voorlichtingsactivi-teiten.
Wat is de duur en de planning daarvan?, wil NCDO weten. Wie willen we bereiken? Op wel-ke doelgroepen mikken we? Welke mentality milieus? Richten we ons op de opwaarts mobie-len of de traditionele burgerij? Of gaan we voor de postmoderne hedonisten? Hoe gaan we de millenniumdoelen onder de aandacht brengen?
Kortom: hoe draagt onze activiteit bij aan het draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking? Wanneer we het niet weten, dan kunnen we onze toevlucht zoeken tot een speciaal ontwikkel-de Toolkit Voorlichting, met een praktisch stappenplan en veel praktijkvoorbeelden.

We krabben ons achter de oren. Want we hebben helemaal geen creatieve ideeën voor onze voorlichting, we hebben geen planning, en we willen geen nieuwe doelgroepen bereiken. En we willen ons al helemaal niet verdiepen in mentality milieus. Maar we vrezen dat we er met een gastles op de basisschool om de hoek niet komen.

Wij, van Het Goede Doel, zijn projectboeren. Daarom vragen wij maar zelden subsidie aan bij een van de loketten. Een belangrijke reden is dat wij de ‘eis’ om aan draagvlakversterking te doen veel te tijdrovend vinden. Die aanvraag bij NCDO – dat moge duidelijk zijn – hebben we dan ook nooit ingediend.

Tot in de tweede macht
Dat was in 2007. Nu blikken we vooruit naar 2011. Vanochtend heeft u van Maarten Brouwer gehoord dat er een nieuw subsidieloket komt. Maar één ding vertelde Maarten Brouwer er niet bij: in dat nieuwe subsidieloket gaan fors hogere eisen gelden voor onze draagvlakactiviteiten. Dat werd vanochtend niet gezegd, maar het staat wel in de beleidsbrief van de minister. En we kunnen onze borst natmaken. Moesten we ooit meehelpen het draagvlak te versterken, nu worden draagvlakversterkers tot in de tweede macht.

Wanneer we in het nieuwe loket subsidie willen aanvragen, dan moeten we werken aan ver-andering van “kennis, houding en gedrag in Nederland”. Het is dus niet genoeg wanneer we voorlichting geven of vertellen over ons project. Het is zelfs niet genoeg wanneer we dat heel creatief doen, volgens een vooropgezette planning, waarbij we rekening houden met allerlei mentality milieus.
Nee, we moeten mensen echt tot actie aanzetten. We moeten, zoals dat in vakjargon heet, een handelingsperspectief bieden. Want, zo redeneert de minister, aan steun en betrokkenheid waar niemand iets van merkt, heb je immers ook niets.

En daarmee zijn we er nog niet. Wij moeten in dat handelingsperspectief ook nog een brug slaan tussen ‘hier’ en ‘daar’. Anders gezegd, wij moeten duidelijk maken hoe problemen dáár verband houden met ons gedrag híer. Hún armoede heeft immers te maken met ónze vervui-ling van het klimaat. Hún inzakkende economieën zijn te danken aan de bonussen van ónze bankdirecteuren.
En aan ons, particuliere initiatieven, wil de minister nu de schone taak geven om deze politie-ke boodschap bij onze medeburgers voor het voetlicht te brengen. Die burger dient daarna op te staan en in actie te komen. Pas dán komt er subsidie voor het project.

Tony Chokolonely
Ik probeer me voor te stellen hoe ik in 2011 bij dat nieuwe kpa-loket subsidie aanvraag voor een drinkwaterproject in Burkina Faso. Hoe leg ik mijn achterban uit wat de link is tussen het vieze water in een buitenwijk in Ouagadougou en, pak ‘m beet, onze landbouw- en handels-politiek? En welk handelingsperspectief kan ik mijn achterban bieden? Moet ik hen eerst aan-zetten om de deuren langs te gaan met repen van Tony Chokolonely, voordat ik geld kan aan-vragen voor die waterpomp?

Ben ik de enige projectboer die kritisch is over die nadruk op draagvlak? Die daar geen zin in heeft? Die zijn tijd liever besteedt aan het financieren van dat drinkwaterproject?
Ben ik de enige die die ‘draagvlakeisen’ niet onder zijn takenpakket vindt vallen? Die vindt dat subsidieloketten ons, als particulier initiatief, daar niet mee moeten lastigvallen? Ik denk het niet. Ik word, zo merkte ik vandaag, gesteund door velen onder u.

Inmiddels heeft ook onze kersverse branchevereniging Partin een geluid laten horen. In een brief aan de minister zegt Partin: “Wij scharen pi’s onder de noemer armoedebestrijding en niet onder draagvlakversterking.” Wanneer pi aan draagvlakversterking doen, dan is dat dus een bijkomstigheid, en geen hoofddoel. Dat is duidelijke taal.
Dat vindt niet alleen Partin. Ook Partos, de branchevereniging van de ontwikkelingssector, ondertekende de brief. Ook onze grote broers vinden dus dat wij, hoe klein ook, ontwikke-lingsorganisaties zijn.

En wat nog interessanter is: de minister, hij steunt hen daarin. Vanaf 2011 mogen Cordaid, Hivos, ICCO en Oxfam Novib ons alléén nog maar subsidiëren wanneer wij relevante projec-ten doen in ontwikkelingslanden. Of we ook bezig zijn met draagvlakversterking, is niet meer belangrijk.

Ministerieel geld
Probeert u het zich voor te stellen.
Daar staan we dan: vragen we ministerieel geld aan via het nieuwe kpa-loket, dan telt vooral het draagvlak.
Vragen we al even ministerieel geld aan via de loketten van Cordaid, Hivos, ICCO en Oxfam Novib, dan is de kwaliteit van onze projecten wat telt.

De afgelopen zomer heb ik de minister gevraagd wat hij nu eigenlijk van ons wil. Per e-mail antwoordde hij dat hij dat ook niet precies weet. Maar hij vertrouwt erop dat wij, particuliere initiatieven, initiatiefrijk en creatief genoeg zijn om onze weg te vinden.

Dat wij initiatiefrijk en creatief zijn, daar zijn we het volledig met de minister eens. Maar we willen ook helderheid. En daarom ga ik terug naar de beginvraag: zijn wij draagvlakverster-kers of ontwikkelaars?
Ik zeg ‘ontwikkelaars’. Natúúrlijk zijn wij uiting van draagvlak, maar we zijn niet het voer-tuig voor draagvlak. Laten we onze schaarse vrije tijd vooral inzetten om de kwaliteit van onze projecten zo goed mogelijk te krijgen.
Als we dan nog tijd over hebben, kunnen we altijd nog aan de slag met creatieve, handelings-perspectief biedende acties die zich richten op de kloof tussen hier en daar.

Ik doe niet mee. Maar ik wens iedereen die daar zijn best voor wil doen, heel veel succes.

Nu delen: