Wat van ver komt, is handig

IS, maart 2011

Innovatie is voor de koopkrachtige mensen in rijke landen. De armen moeten het met de afdankers doen. Tenminste, zo was het ooit. Maar steeds vaker loopt de route andersom.

Aan de vooravond van de financiële crisis opent in de wijk Queens in New York een nieuwe bank zijn deuren. Het is geen gewone bank voor gewone klanten, maar een filiaal van de Grameen Bank uit Bangladesh. Het bedient New Yorkers uit de wijk die leven onder de Amerikaanse armoedegrens. Bij gewone banken vallen ze buiten de boot, bij Grameen krijgen ze een microkrediet om een bedrijfje te starten. In drie jaar tijd opent Grameen Amerika nog drie kantoren en groeit het klantenbestand tot ruim vierduizend.

In diezelfde periode brengt GE Healthcare, producent van medische apparatuur, een nieuw apparaat op de markt: een draagbare ECG-machine. Bij DuPont Medical Group in Illinois vinden ze het een uitkomst. Gezondheidswerkers nemen het mee de wijken in, naar verpleeghuizen en bedlegerige patiënten. Het apparaat is bovendien tachtig procent goedkoper dan een standaardmachine. Niet alleen het formaat en de prijs, ook herkomst is bijzonder: de draagbare ECG-machine is ontwikkeld door Chinese ingenieurs, bedoeld voor het Chinese en Indiase platteland.

Grameen Amerika en de draagbare ECG-machine zijn voorbeelden van omgekeerde innovaties: producten en diensten hun sporen bewijzen in ontwikkelingslanden, voordat ze geïndustrialiseerde wereld veroveren. De Amerikanen bedachten er zelfs een naam voor: trickle up innovaties. Ze volgen een andere route dan de meeste vernieuwende vindingen. Die komen uit Amerika, Europa of Japan, zijn voorzien van de laatste hightech snufjes, kosten klauwen met geld en druppelen veel later in verouderde of versimpelde vorm door naar arme landen. Bij trickle up innovaties gaat het precies andersom. Zij worden ontwikkeld in landen als China, India en Brazilië, speciaal voor mensen met een kleine beurs, aangepast aan de lokale gewoonten, behoeftes, materialen en infrastructuur. Pas wanneer ze in ontwikkelingslanden goed lopen, vinden ze hun weg naar het Westen.

Soms gaat het om slimme producten. Zo bracht Nokia vorig jaar een telefoon op de markt met krachtige speakers. Ze hadden gezien hoe jongeren in Ghana en Marokko handsets deelden om samen naar gesprekken te luisteren. De telefoon was bedoeld voor de Afrikaanse markt, maar ook Amerikaanse jongeren zagen het toestel helemaal zitten. Soms gaat het om slimme diensten. Zo maakt microfinanciering, groot geworden in Azië, een opmars in Amerika en Europa. In ons land kunnen minvermogende ondernemers voor een microkrediet terecht bij Qredits en Eigen Baas. En soms gaat het om slim organiseren. Dat doet bijvoorbeeld Aravind Eye Care in India. De Aravind oogklinieken voeren staaroperaties uit vanaf honderd dollar, een fractie van de Europese prijs. Het prijsverschil zit niet alleen in de lagere salarissen van de oogartsen, maar vooral in de uiterst efficiënte manier waarop de kliniek wordt gerund. Inmiddels laten Nederlandse gezondheidswetenschappers uit door de Aravind-methode inspireren.

Verwend

Twee vragen doemen op bij deze trickle up innovaties. De eerste is of de Westerse wereld wel zit te wachten op producten uit ontwikkelingslanden. Zijn we niet te zeer verslingerd aan hightech snufjes en verwend door individueel maatwerk? Wil een Amsterdammer straks wel een Tata Nano rijden, de spotgoedkope auto die nu India verovert? Willen we ons wel laten opereren in een oogkliniek die aan de lopende band patiënten behandelt? Een tweede vraag is of die innovaties voor de armen wel werken in het Westen. Kun je zomaar een microkredietgroep starten in New York, alsof het een dorp in Bangladesh is?

Het groeiende aantal succesverhalen lijkt in elk geval te wijzen op een groeiende markt voor trickle up innovaties. Die krijgt allereerst een push in ontwikkelingslanden zelf. In landen als China, India en Brazilië stijgen de inkomens en ontstaat zoiets als een beginnende middenklasse. De behoefte aan diensten en producten is groot, maar de koopkracht is nog altijd een fractie van die in het Westen. Daardoor ontstaat veel vraag naar sobere, maar kwalitatief hoogwaardige producten. Onderzoek en ontwikkeling is in Azië dan ook booming business. Xerox, producent van kopieerapparaten, heeft zelfs twee mensen in dienst die het Indiase subcontinent afstruinen. Ze zoeken naar uitvindingen en producten van Indiase starters, die interessant kunnen zijn om aan te passen aan de Amerikaanse markt.

Een tweede push ligt in het Westen. Overheden staan voor gigantische bezuinigingsoperaties en een vergrijzende bevolking. Dat is een goed moment om te kijken of, bijvoorbeeld, de gezondheidszorg goedkoper kan. Ook de consument let op zijn uitgaven, nu de economische crisis hem in de beurs treft. Bovendien heeft een groeiende groep mensen genoeg van hightech snufjes en een overdaad aan functies op simpele gebruiksartikelen. Het Amerikaanse blad Wired sprak vorig jaar van een good enough technology-revolutie. Meer is niet altijd beter. Kijk naar Netbook, het succesvolle, goedkope broertje van de laptop. Het haalde zijn inspiratie uit ‘One laptop per child’, een organisatie die laptops maakt voor schoolkinderen in ontwikkelingslanden. Maar ook in het Westen blijkt een markt te zijn voor een eenvoudige draagbare computer.

Zowel de opkomende middenklasse in arme landen als de bezuinigende middenklasse in rijke landen geven een push aan de ontwikkeling van sobere, maar functionele producten. Vorig jaar kondigde General Electric aan dat het voor 2015 drie miljard dollar gaat investeren in het ontwikkelen van minimaal honderd innovaties in de gezondheidszorg. Die moeten de kosten drukken, de toegang verbeteren en de kwaliteit van de zorg verhogen. De vernieuwingen zijn zowel bedoeld voor markten in ontwikkelingslanden als in het Westen.

Groepslening

Een tweede vraag is of deze sobere innovaties in het Westen net zo goed werken als hier. Het antwoord daarop lijkt minder eenduidig. Grameen Amerika hanteert exact dezelfde methode als in Azië: microkredieten worden verstrekt aan groepen, die elkaar elke week treffen. “Onze microkredietprogramma’s slagen overal ter wereld’, zegt Grameen op zijn website. “We hebben het model van groepsleningen niet veranderd. Het enige verschil is de hoogte van het bedrag.”

Maar een wereldwijde toepasbaarheid van trickle up innovaties lijkt niet vanzelfsprekend. Heel wat minder succesvol dan Grameen America is Opportunity New York City, een sociaal programma voor arme gezinnen. Opportunity New York is geïnspireerd op het succesvolle Braziliaanse Bolsa Familia-programma. Dat houdt in dat arme gezinnen een kleine uitkering krijgen, wanneer ze zich aan een aantal afspraken houden. Bijvoorbeeld dat ze hun kinderen naar school sturen en hen laten vaccineren. Ook New Yorkse gezinnen kregen een kleine toelage wanneer ze, bijvoorbeeld, op tijd naar de tandarts gingen, geld spaarden of een examen haalden. Maar in New York vielen de resultaten tegen. Slechts een klein deel van de groep die een toelage kreeg, veranderde daadwerkelijk zijn leefwijze.

Waarom het Opportunity New York in Amerika minder aansloeg dan in Brazilië, werd niet helemaal duidelijk. Maar het lijkt erop dat veel trickle up innovaties, net als de traditionele trickle downs, lokale aanpassingen nodig hebben om goed te werken. Daarom zag Qredits in Nederland, in tegenstelling tot Grameen in New York, af van het model van groepsleningen: de Nederlandse doelgroep van startende ondernemers gedijt prima bij een individuele aanpak. Daarom zal Tata Nano in Europa niet precies dezelfde auto op de markt brengen als in India. De Europese versie wordt een licht upgraded model. Daarmee hoopt de goedkoopste auto ter wereld de Amsterdamse grachtengordel te veroveren.

Nu delen: