Begrijpen hoe de media ons beeld van de wereld beïnvloeden, dat vind ik belangrijk. In januari 2018 promoveerde ik op een onderzoek naar de framing van wereldwijde armoede in de media.

Als journalist vertaal ik mijn inzichten over media-impact voor een breder publiek. Op deze website vind je mijn artikelen en columns en #mindthegap, een blog over de kloof tussen mediabeeld en werkelijkheid.

Als onderzoeker help ik organisaties om grip te krijgen op (media)beeldvorming en hun eigen rol daarin. Afgelopen jaar werkte ik voor ngo's, ministeries, een energiebedrijf en de vakbond.

mirjamvossen@gmail.com

Plastic soep is armoedeprobleem

Brabants Dagblad, 15 januari 2019

Plastic afval in zee wordt niet veroorzaakt door ons, rijke landen. De plastic soep bestaat vooral uit zwerfafval van arme, opkomende economieën. Willen we minder afval in zee, dan doen we er goed aan hun ontwikkeling te versnellen.

Hij is kapot, de Ocean Cleanup, de uitvinding van de Nederlandse student Boyan Slat om zwerfafval in de Grote Oceaan mee op te ruimen. Een van de vangarmen raakte beschadigd. Nu wordt het apparaat voor reparatie teruggesleept naar de haven. Dat is een tegenslag. Alleen al in de noordelijke Grote Oceaan drijft 96 duizend ton zwerfplastic rond, met nare gevolgen voor vogels, vissen en andere zeedieren. 

Milieuorganisaties en de overheid willen dat deze plastic soep afneemt. Ze willen minder zwerfafval op straat, in de berm en op het strand, zodat ook minder plastic in zee terechtkomt. Daarnaast proberen ze de industrie te bewegen om minder verpakkingsmateriaal te produceren. Het zijn belangrijke maatregelen die zich vooral richten op rijke Westerse consumenten en producenten.

Halve kilo per dag

Toch is plastic soep vooral een armoedeprobleem. Of, om precies te zijn: een probleem dat wordt veroorzaakt door landen die op dit moment ontsnappen uit de armoede. Die constatering is tegenintuïtief. Mensen in rijke landen gooien immers veel meer plastic weg. Dagelijks produceren Nederlanders bijna een halve kilo plasticafval per persoon. Dat is, op Duitsland na, het hoogste percentage in Europa. En toch zijn wij geen grote plastic vervuilers. Rijke landen als Nederlandhebben namelijk ook goed functionerende systemen van afvalinzameling en -verwerking. Via zwerfafval dragen rijke landen dan ook maar voor een klein deel bij aan de plastic soep. Samen zijn Europa, Noord-Amerika en Centraal-Azië goed voor 4,5 procent van plastic afval in zee.

Ook de allerarmste landen dragen weinig bij aan de plastic vervuiling. En ook dat is tegenintuïtief. Wie wel eens in ontwikkelingslanden komt, die ziet dat wegbermen, velden en beekjes vol liggen met resten plastic. Toch is de optelsom van alle afvalplastic in de armste landen gering. Een inwoner van Ghana gooit tien keer minder plastic weg dan een Nederlander. Alle landen in zuidelijk Afrika samen dragen voor slechts 9 procent bij aan het probleem van zwerfaval op zee. 

De grootste vervuilers zijn de landen er tussenin. Landen die zich opwerken van arm tot middeninkomensland. Het zijn bovendien landen waarvan een groot deel van de inwoners in de kuststreek woont. Deze bewoners hebben steeds meer geld om spullen te kopen en weg te gooien. Tegelijkertijd is het inzamelen en verwerken van afval nog niet goed ontwikkeld. Zuidoost-Azië is de meest vervuilende regio. De kustgebieden van China en Indonesië zijn samen goed voor meer dan de helft van het plastic zwerfafval. Andere grote vervuilers zijn deFilipijnen, Vietnam en Sri Lanka. 

Willen we nog meer plastic soep voorkomen, dan moeten we goed voor ogen houden waar het probleem wordt veroorzaakt. Nederlandse maatregelen zoals een verbod op plastic tasjes en statiegeld op kleine flesjes zijn natuurlijk welkom, maar in het terugdringen van plastic in zee spelen ze op zijn best een bescheiden rol. Datzelfde geldt voor de oproep aan bedrijven in Westerse landen om minder verpakkingsmateriaal te produceren. De meeste verpakkingen, hoe nutteloos wellicht ook, gooien we immers netjes in de oranje container. 

De echte meters moeten nu worden gemaakt in dichtbevolkte en opkomende landen als China, India, Indonesië, Bangladesh of Nigeria. Het feit dat deze landen steeds rijker worden, is goed nieuws. Zodra landen welvarender worden, investeren ze meer in hun leefomgeving en het milieu – en daarmee dus ook in het inzamelen en verwerken van afval. Hoe welvarender de wereld wordt, hoe kleiner ook het probleem van zwerfafval op zee zal worden. Rijke landen alsNederland doen er dan ook goed aan om dat proces te versnellen door te investeren in de ontwikkeling van landen die nu nog arm zijn. Door daaraan met geld en kennis bij te dragen, investeren we ook in de ontwikkeling van een goedfunctionerend systeem van afvalverwerking.

Plastic eetstokjes

In opkomende landen is dat overigens al volop gaande. Zo verbood de Chinese overheid vorig jaar deimport van niet-industrieel afvalplastic. Daarmee wil China zwerfafval in eigen land terugdringen. Ook het milieubewustzijn van Chinese consumenten groeit. Zo introduceerde de online maaltijdservice Ele.me in haar bestelapp een ‘no chopsticks’-optie. Daarmee zijn inmiddels 43 miljoen paar plastic eetstokjes uitgespaard. En het Indiase New Delhi deed op 1 januari álle wegwerpplastic in de ban. Zelfs de armste landen treffen nu maatregelen tegen zwerfafval en doen dat soms sneller dan wij. Zo zijn plastic tasjes in Rwanda al langer verboden dan in Nederland. 

Het zijn bemoedigende trends, die erop wijzen dat steeds meer landen plasticafval serieus beginnen te nemen. Tot die tijd zal de Ocean Cleanup zijn nuttige werk moeten doen. Hopelijk wordt hij snel gerepareerd. 

Mirjam Vossen uit Tilburg is journalist en sociaalgeograaf.

Comments are closed.