Nooit meer alleen het wiel uitvinden

MyWorld Magazine, december 2011

Kleine ontwikkelingsorganisaties doen het liefst alles zelf. Maar als ze zouden samenwerken, zouden hun projecten beter lopen. Waarom doen ze het dan niet? Er valt een wereld te winnen als we onze krachten bundelen.

Hans Vissenberg van Centrum Internationaal zou het dolgraag willen: samenwerken met organisaties die zich, net als zijn eigen stichting, inzetten voor onderwijs in Ethiopië. Centrum Internationaal organiseert onder meer bijscholing voor onderwijzers, zodat zij leren omgaan met kinderen met een handicap in hun klas. Een prachtig project, zegt Vissenberg, maar het komt niet verder dan de stad Bahir Dar, in het noordwesten. Daarom zoekt hij contact met anderen. Vooralsnog vergeefs. Een aantal organisaties dat hij benaderde gaf niet thuis. “Je belandt er in de wacht”, zegt Vissenberg. “Zij benaderen jou wel als het hen uitkomt.” Sommige bleken te zeer met andere dingen bezig. Zo maakte Vissenberg dit voorjaar kennis met een organisatie voor beter onderwijs in Indonesië. “Zij steunen een katholieke school in een moslimgebied. Wij willen kinderen met een handicap een plek bieden op school. Hun problemen zijn anders. Het contact bloedt dan snel dood.”

Kleinschalige ontwikkelingsorganisaties werken zelden samen. Dat valt niet alleen Hans Vissenberg van Centrum Internationaal op. Ook organisaties die het werk van vrijwilligersgroepen onderzoeken en ondersteunen, zoals het CIDIN, Wilde Ganzen en het COS, merken dat kleinschalige goededoelenorganisaties het liefst alleen werken, met hun eigen vrijwilligers en hun eigen contactpersonen in Afrika of Latijns-Amerika. Hans Vissenberg. “Ons mooie proefproject willen we graag uitbreiden: wat wij hebben gedaan, kunnen andere scholen misschien ook proberen. De vraag is hoe we die andere scholen bereiken. Daarvoor willen we graag gebruikmaken van het netwerk van anderen. Er zijn vast meer organisaties die scholen in Ethiopië steunen. Je kunt dan kennis en contacten uitwisselen.”

Kleine stichtingen lijken zo druk bezig om hun eigen wiel uit te vinden, dat ze niet eens merken dat anderen al bezig zijn met het produceren van de banden. Ondersteunende organisaties zien dat soms met lede ogen aan. “Uitvoerders van projecten zitten met dezelfde problemen en trappen in dezelfde valkuilen”, zegt Natasja Insing van Wilde Ganzen. “Ze beginnen bijvoorbeeld met het inzamelen van lesmateriaal voor een school in Afrika. Andere organisaties hebben allang ervaren dat dat doorgaans weinig zinvol is. Het is daarom ontzettend belangrijk dat mensen hun kennis en expertise delen. Zo kun je elkaar voor missers behoeden en zorgen dat je project effectiever wordt.”

Vuistbijl

Niet samenwerken, geen kennis delen, dat betekent kansen missen op vooruitgang. Hoe groot die gemiste kans kan zijn, maakt bioloog en schrijver Matt Ridley duidelijk in zijn boek De Rationele Optimist. Daarin trekt hij een onverwachte lijn tussen een vuistbijl en een computermuis. De vuistbijl is gemaakt door één mens en bedoeld voor diezelfde mens. Aan de uitvinding van de computermuis hebben miljoenen mensen hun vindingrijkheid, kennis en arbeid bijgedragen. Onze vooruitgang, zegt Ridley, danken we aan ons vermogen om samen te werken, ideeën uit te wisselen en onze krachten te bundelen. In de steentijd wist iedereen hoe hij een vuistbijl moest maken, maar niemand kwam een stap verder. Vandaag kan niemand zelf een computermuis moet maken, maar samen kunnen we dat wel.

De boodschap van Ridley is niet alleen bedoeld voor uitvinders van computermuizen. Hij is ook interessant voor mensen die een einde willen maken aan armoede en ongelijkheid. Sterker nog, de oproep om samen te werken, geldt in het bijzonder voor hen. Veel kleinschalige ontwikkelingswerkers beginnen immers als amateur, zonder veel kennis en ervaring, met weinig mankracht en nog minder tijd. Het ligt dan ook voor de hand dat juist zij elkaar opzoeken. Om te leren, om krachten bundelen en om ervoor te zorgen dat ze samen tot nieuwe en betere projecten komen.

Die vanzelfsprekendheid staat in schril contrast met de praktijk van het kleinschalige ontwikkelingswerk. Het is de vraag of dat erg is. Is het een probleem wanneer organisaties liever zelf ontdekken hoe het moet, desnoods met vallen en opstaan? Het antwoord is ja. Want wie zich inzet voor mensen aan het andere eind van de wereld, is verplicht omdat zo goed mogelijk te doen. En wie denkt alles zelf te kunnen, vergroot de kans dat hij het project minder efficiënt uitvoert. En dat hij fouten maakt. En dat hij, uiteindelijk, minder kan betekenen voor de mensen voor wie hij zich inzet. Dat hoeft geen ramp te zijn. Maar het is wel iets om bij stil te staan.

Schaars

Ook iets om te overdenken is de vraag waarom het veel kleinschalige ontwikkelingsorganisaties zoveel moeite kost om elkaar op te zoeken en het contact te benutten. Een voor de hand liggende belemmering is een praktische. Samenwerken kost tijd. Je moet om je heen kijken. Weten welke organisaties er nog meer zijn. Vertrouwen opbouwen. Kijken wat je samen kunt doen. En juist die tijd is voor veel vrijwilligersgroepen een schaars goed. Dat ervaart ook Frits Brouwer, een van de initiatiefnemers van het Holland-Ghana Platform, een losvast samenwerkingsverband voor groepen met projecten in Noord-Ghana. “Je moet het allemaal organiseren”, zegt Brouwer. “Je moet een website optuigen en bijhouden. Je moet af en toe bij elkaar komen. Dat kost allemaal tijd. En je wilt je geld en inspanning toch zoveel mogelijk inzetten voor je eigen project.”

Tomaten oogsten

Tijd is niet het enige bezwaar. Het ontbreekt vrijwilligers ook aan het idee dat ze iets aan elkaar kunnen hebben. Wie betrokken is bij een landbouwproject voor Indianen in Bolivia, meent dat hij weinig te zoeken heeft bij een groep die zich inzet voor weeskinderen in India. “Vaak is dat ten onrechte”, zegt Natasja Insing van Wilde Ganzen. “Veel lessen uit het kleinschalig ontwikkelingswerk zijn uitwisselbaar en staan los van een land of project. Mensen lopen tegen vergelijkbare problemen aan. Ze worstelen bijvoorbeeld met de vraag of je de de mensen om wie het gaat kunt laten bijdragen aan een project. De een zegt dat dat onmogelijk is, omdat de doelgroep te arm is. De ander steunt echter een scholenproject waarbij ook arme gezinnen een deel van het schoolgeld zelf opbrengen. Ze kunnen elkaar tips geven over de aanpak.” Ook goed communiceren met partners in ontwikkelingslanden, creatief fondsen werven en projecten evalueren zijn onderwerpen die bij alle projecten aan de orde zijn. Insing: “Het blijkt mensen echter te veel tijd en energie te kosten om boven hun concrete project uit te stijgen.”
Naast ‘geen tijd hebben’ of ‘het nut ervan niet inzien’, ligt het grootste obstakel misschien wel op het emotionele vlak. Veel vrijwilligers voelen zich met huid en haar verbonden met ‘hun’ project. Ze putten immense voldoening uit het feit dat ze het zélf doen. Het is de voldoening die je voelt wanneer je je eigen tomaten oogst. Of wanneer het lukt om zelf de badkamer te betegelen. Sommigen noemen dat ronduit eigenwijs, eigengereid of halsstarrig. Natasja Insing van Wilde Ganzen houdt het positief: “Mensen die een project in het Zuiden ondersteunen, zijn vaak doeners. Ze zijn sterk gemotiveerd en hebben een grote wilskracht. Daar hoort ook bij dat je het allemaal graag zelf uitzoekt.”

Goed bezocht

Wie van de vuistbijl een computermuis wil maken, moet de eigenzinnigheid echter voorbij. Anno 2011 zien we dit terug in trainingen, ontmoetingsdagen en netwerkbijeenkomsten voor kleinschalige ontwikkelingsorganisaties. Het goede nieuws is dat er de afgelopen jaren een forse groei is van evenementen als deze. En dat zij vaak goed worden bezocht. Zo trok de recente ontmoetingsdag van Wilde Ganzen ruim driehonderd mensen. Collega-organisatie Impulsis moest de inschrijvingen voor zijn jongste partnerdag voortijdig sluiten wegens te grote belangstelling. Ook landenplatforms en websites bouwen bruggen tussen PI’ers. Op myworld.nl, de website van dit magazine, kwam een stroom reacties op gang nadat een lezeres haar dilemma rond een project in Afrika met anderen deelde.

Op deze plekken weten vrijwilligers elkaar te vinden. Ze leren er bijvoorbeeld hoe ze een beter projectplan moeten schrijven. Het brengt hen op ideeën hoe ze het vastgelopen contact met ‘hun’ school in India vlot kunnen trekken. Het helpt hen, om bij Matt Ridley te blijven, om een betere vuistbijl te maken. Maar het blijft een vuistbijl.

Om écht een stap verder te zetten, op weg naar een computermuis, is uitwisseling alleen niet genoeg. Het is samenwerking die uiteindelijk tot iets nieuws leidt. Tot iets beters. Tot iets voorbij de vuistbijl.

Veel duurder

Dat zien we terug in partijen die écht de handen ineenslaan. Zoals bij de drie stichtingen die samen een vakschool voor landbouwonderwijs bouwen in Ghana: Stichting Equal Opportunity Fund (EOF), Stichting Ecologische Landbouw Projecten Ghana (ELPG) en Stichting Bouwen. De organisaties troffen elkaar op een ontmoetingsdag van Partin, de brancheorganisatie voor kleinschalige particuliere initiatieven. Frits Brouwer van ELPG: “Zonder EOF hadden we het geld voor dat gebouw nooit bij elkaar gekregen, en zonder de kennis van Stichting Bouwen was het gebouw veel duurder geworden. Wanneer een van ons drieën het project op eigen kracht had willen uitvoeren, was deze school er nooit gekomen.”

Voorbeelden zoals deze zijn schaars. Maar ze laten wel zien dat het de moeite waard is stil te staan bij de kansen die samenwerking met anderen biedt. Ze dwingen je je af te vragen waar je mee bezig bent: zit je nog steeds je eigen vuistbijl te slijpen? Of sleutel je aan de ontwikkeling van een computermuis?

Nu delen: