Kritiek op hulp is hip

Reactie op interviews met ‘Dead Aid’-auteur Dambisa Moyo in Volkskrant en NRC Handelsblad, maart 2009

Kritiek op hulp is goed voor de verkoopcijfers, zeker wanneer het uit de mond van Afrikanen zélf komt. Maar de Zambiaanse econome Dambisa Moyo gaat voorbij aan de feiten.

Senegal is bijna besnijdenisvrij. Een programma van Unicef en Tostan, een lokale ontwikkelingsorganisatie, levert indrukwekkende resultaten op. Binnen tien jaar tijd maakten zeven van de tien Senegalese dorpen waar meisjes worden besneden een einde aan deze praktijk. Dit bericht was bijzonder. Niet omdat het programma is geslaagd, maar omdat goed nieuws over hulp niet snel de krant haalt. Doorgaans zit het slagen van de hulp verstopt in langzaam bewegende statistieken. Die laten zien dat de uitbreiding van de aidsepidemie in Afrika tot staan is gebracht, dat sinds de Groene Revolutie anderhalf miljard Aziaten geen honger meer lijden, dat wereldwijd steeds minder kinderen doodgaan omdat ze worden ingeënt en dat steeds meer kinderen op school zitten. Al deze ontwikkelingen zijn voor een belangrijk deel met hulpgeld gefinancierd. In moeilijke omstandigheden, en met beperkte middelen, heeft ontwikkelingshulp ontzettend veel bereikt.

Het is dan ook verbijsterend dat het debat over ontwikkelingshulp vrijwel volledig door tegenstanders wordt beheerst. En zij zijn aan de winnende hand. Het publiek is zo murw geslagen met de boodschap dat ‘het allemaal toch niet helpt’, dat velen het zijn gaan geloven. Het vertrouwen in het effect van ontwikkelingshulp daalt met de dag. Dat is paradoxaal, want er is geen enkel bewijs dat ontwikkelingshulp minder effectief is dan pakweg tien jaar geleden.

Onlangs schaarde een nieuw fenomeen zich onder de hulpcritici: de jonge zwarte econome Dambisa Moyo roept met haar boek Dead Aid (NRC vrijdag 6 maart) op tot het afschaffen van ontwikkelingshulp. Dat is de prikkel ten top: als het tegengeluid al komt van een jonge, intelligente Afrikaanse vrouw, dan moet de kritiek toch wel waar zijn?

Dat valt tegen. De kritiek van Moyo is even opgeblazen, karikaturaal en onjuist als die van haar oudere, Westerse, mannelijke collega’s: hulp is weggegooid geld, hulp leidt tot corruptie, hulp maakt afhankelijk en alleen afschaffing van hulp helpt Afrika vooruit. O ja?

Nee dus. We gaven helemaal niet veel. Moyo stelt dat het Westen in de afgelopen zestig jaar een biljoen dollar hulp aan Afrika gaf. Dat is veel geld, maar het is ook niet meer dan wat de Obama op dit moment extra in de Amerikaanse economie stopt. Wanneer het bedrag klopt, dan kreeg de gemiddelde Afrikaan nooit meer dan 27 dollar per jaar, ofwel zeven dollarcent per dag. Dat is niet astronomisch veel, dat is ontzettend weinig.

En leidt hulp tot corruptie? Dat valt te betwijfelen. Volgens critici zou hulpgeld leiden tot groeiend graaigedrag van Afrikaanse leiders. Dit gebeurde op grote schaal tijdens de Koude Oorlog, maar die tijd ligt alweer ver achter ons. Westerse landen stellen vandaag zeer strikte eisen aan de verantwoording van hulpgeld, en de kans op weglekken van geld is kleiner dan ooit. Tegelijkertijd wordt ontwikkelingsgeld ook ingezet om corruptie te bestrijden en overheden beter te laten functioneren.

Betekent dit dat er geen corruptie meer is? Uiteraard niet. Maar die is er niet alleen in Afrika. Volgens Transparency International zijn Europese lidstaten als Italië en Griekenland corrupter dan Zuid-Afrika of Botswana. Roemenië en Bulgarije doen het slechter dan Namibië en Ghana. En veelgeprezen economische tijgers als Brazilië en Thailand zijn niet minder corrupt dan Burkina Faso. Dát in Afrika meer corruptie voorkomt dan in rijke landen, is evident. De vraag is alleen of dat met hulp te maken heeft. Corrupte leiders, van Italië tot Burkina Faso, graaien even vrolijk in een staatskas gevuld met belastinggeld.

En wanneer landen het te bont maken, dan gaat de kraan dicht. Dat gebeurde afgelopen jaar met Rwanda, het land dat vorige week te kennen gaf dat het af wil van ontwikkelingshulp. Rwanda is het bewijs, meent Dambisa Moyo, dat Afrikanen de hulp zelf ook niet zien zitten. Maar dat is een omkering van zaken. Niet Rwanda, maar Zweden en Nederland zetten eind vorig jaar de begrotingssteun aan het land stop, omdat Rwanda het wapenembargo tegen Congo had geschonden. Logisch dat Rwanda nu geïnteresseerd is om geld uit de markt te halen.

Hulpcritici zullen deze stap toejuichen. Maar het is twijfelachtig of Afrikaanse overheden zich meer inzetten voor hun bevolking, wanneer zij geld uit de markt gaan halen. Het weigeren van hulp lost corruptie niet op, zet bestuurders niet aan tot actie en lokt buitenlandse investeerders niet massaal over de grens. Het stopzetten van hulp maak wel een einde aan het werk van organisaties als Tostan in Senegal, die onder moeilijke omstandigheden het leven van duizenden meisjes weten te verbeteren.

Nu delen: