Kloof tussen mensen mét en zonder handicap groeit

IS, november 2011

Doven die voorlichtingsbijeenkomsten niet kunnen volgen, kinderen die school missen omdat ze in een rolstoel zitten. Mensen met een handicap profiteren niet vanzelf-sprekend van ontwikkelings-projecten. Door het huidige accent op economische groei binnen het ontwikkelingsbeleid dreigen gehandicapten nog verder achterop te raken.

Toen Ziko Kasonga 14 jaar was, werd op een dag zijn hele lichaam heet. De volgende ochtend, op weg naar de markt, begaven zijn benen het. In de maanden erna werden zijn spieren steeds dunner. Tot hij helemaal niet meer kon lopen. Ziko is nu 59 en bedelt voor de ingang van een supermarkt in het stadje Limbe. Elke dag neemt hij om vijf uur de minibus naar Limbe. Vanaf het busstation beweegt hij zich twee kilometer voort naar de winkelstraat, in kleermakerszit, met twee plastic slippers aan zijn handen om zijn vingers te beschermen. Op een goede dag haalt Ziko 200 kwacha op, ongeveer 90 eurocent. De helft daarvan gaat op aan buskosten.

Ziko is een van de ongeveer 640 miljoen mensen in de wereld die met een handicap door het leven gaat. De Wereldbank schat dat 80 procent van hen in een ontwikkelingsland woont en dat vooral de allerarmsten kampen met een lichamelijke of verstandelijke beperking. Maar liefst een op de vijf van de allerarmsten heeft volgens de Wereldbank een meer of minder ernstige handicap.
Terwijl steeds meer mensen in ontwikkelingslanden naar school gaan, schoon water hebben en medische zorg krijgen, gaan gehandicapte mensen er nauwelijks op vooruit.
Veelzeggend zijn de cijfers over het toegenomen schoolbezoek in ontwikkelingslanden. In Afrika, Azië en Latijns-Amerika gaat inmiddels bijna 85 procent van alle kinderen naar school. Maar van de kinderen met een handicap volgt slechts tien procent onderwijs. Het zijn vooral de gezonde en economisch productieve armen die van de vooruitgang profiteren.
Dat lijkt paradoxaal. Inspanningen om de armoede te verminderen zijn immers vooral bedoeld om het leven van de meest arme en meest kwetsbare groepen te verbeteren. Mensen met een handicap zouden dus het meest moeten profiteren van ontwikkelingsprogramma’s en verbeteringen in onderwijs en zorg. Maar in praktijk zijn zij de laatsten die ‘aanhaken’.
De vraag is hoe dat komt.

Vicieuze cirkel
“Mensen met een handicap doen niet mee in de samenleving”, zegt Jetta Klijnsma, PvdA-kamerlid en ambassadeur voor het Liliane Fonds, een organisatie die zich inzet voor kinderen met een handicap in ontwikkelingslanden. “Kinderen gaan niet naar school en worden buitengesloten. Als volwassene zijn ze zo vervreemd, dat ze de aansluiting bij de maatschappij missen.” Wie arm is, heeft een grotere kans om een handicap te krijgen door gebrek aan goede voeding en gezondheidszorg. Eenmaal gehandicapt, lukt het vaak niet om een opleiding te volgen en werk te vinden. Ziko Kasonga is het vleesgeworden voorbeeld van deze vicieuze cirkel. Met goede medische zorg was de vergroeiing aan zijn benen waarschijnlijk minder ernstig geweest. Mede door zijn handicap komt hij moeilijk aan werk. En dat heeft weer gevolgen voor zijn familie. Ziko heeft vier kinderen, maar is niet staat om voor hen te zorgen. Ze wonen bij zijn zus in het dorp.
Het hebben van een handicap is bovendien vaak omgeven door schaamte, bijgeloof en taboes. Veel ouders voelen zich schuldig wanneer ze een kind met een handicap krijgen. Ze verstoppen hen soms letterlijk in de hut. Rond handicaps bestaat veel bijgeloof. De moeder van Ziko dacht dat haar zoon was behekst. Ziko moet nog altijd roddels uit zijn omgeving verdragen. Er wordt veel gepraat, vertelt Ziko, omdat hij als gehandicapte is getrouwd met een ‘normale’ vrouw.

Rose

Uitsluiting is niet het enige probleem.
Mensen met een handicap zijn relatief vaak het slachtoffer van misbruik en mishandeling. Zoals Rose Nthenda, die in een dorp in het zuiden van Malawi geboren werd met een waterhoofd en een verstandelijk  beperking. Ze ging nooit naar school. Op een dag ontdekte haar moeder dat Rose zwanger was. Met veel moeite kwam de familie er achter wat er was gebeurd. Ze bleek misbruikt door een man uit een naburig dorp. Rose kan niet zelf voor haar zoon zorgen. Haar oude en astmatische moeder evenmin. Gelukkig stopt een pater uit de buurt de jongen af en toe iets toe.

Zelfredzaamheid
Armoede, handicaps en uitsluiting houden elkaar in de greep. Overheden en ontwikkelingsorganisaties zullen extra moeite voor mensen met een handicap moeten doen om hen bij de maatschappij te betrekken. Het oplossen van praktische belemmeringen, zoals gebrek aan rolstoelen, hulpmiddelen of medische zorg, is daarvoor niet genoeg. Een school kan rolstoeltoegankelijk zijn, maar als een kind wordt weggepest vanwege zijn handicap, dan is er nog niets bereikt.
Het is de vraag of overheden en ontwikkelingsorganisaties die extra moeite willen doen.
Die vraag is actueel, nu de nadruk binnen internationale samenwerking verschuift naar zelfredzaamheid en economische groei. Vorig jaar adviseerde de WRR, de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, om meer ontwikkelingsgeld te investeren in het bedrijfsleven en minder in sociale sectoren als onderwijs en zorg. Het kabinet-Rutte nam deze aanbeveling over en ze vormt nu de basis van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid. De gedachte is dat economische groei een duurzamer resultaat heeft dan het geven van sociale hulp.

Die visie leeft niet alleen bij Nederlandse beleidsmakers, maar ook in ontwikkelingslanden zelf. Ook daar gaan stemmen op om hulpgeld vooral te investeren in de iets minder armen en de beginnende middenklasse. Die kan zich opwerken en vervolgens een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van hun land. Dat zou meer opleveren dan hulp aan gehandicapten, waar niets voor terugkomt.

Jetta Klijnsma maakt zich grote zorgen over deze verschuiving in het beleid. “Organisaties willen dat hun inspanningen economisch rendement oplevert. Investeren in mensen met een handicap is dan weggegooid geld. Ook dit kabinet zegt: ‘wij besteden ons geld vooral in landen waar we als Nederland iets aan hebben’. Ik vind dat heel droevig.”
De vraag is hoe de verschuiving naar ‘rendement’ voor mensen met een handicap zal uitpakken. Zullen zij profiteren van projecten voor economische ontwikkeling? Of raken ze daardoor nog verder achterop?

Fernando 2

Extra zetje
Soms is maar een klein zetje nodig om gehandicapten meer economische zelfstandigheid te krijgen. De achttienjarige Fernando van het Filippijnse eiland Cebu, trok aanvankelijk zijn familie mee in een armoedeval toen bleek dat hij aan epilepsie leed. Godofreda, alleenstaande moeder van vier kinderen, kon de medicijnen voor haar zoon amper betalen. Toen haar inkomstenbron, een klein winkeltje, afbrandde, raakte het gezin aan de bedelstaf. Een lening via een lokale microkredietbank om haar afgebrande winkeltje weer op te bouwen, gaf de familie weer wat lucht. Daarbij krijgt Godofreda wel extra begeleiding van een lokale ontwikkelingsorganisatie omdat gezinnen met een gehandicapt kind een te risicovolle doelgroep zijn voor microkredietbanken. De druk om de winst direct uit te geven aan medische zorg is in deze gezinnen enorm.  De lokale organisatie helpt Godofreda om de financiële huishouding op orde te houden. Ze betaalde al twee leningen terug en verdient inmiddels enkele tientjes per maand extra. Dat is niet veel, maar net genoeg om de medicijnen voor Fernando te betalen.
Bij Ziko Kasonga, de bedelaar uit Malawi, is het minder eenvoudig om aan de armoede te ontsnappen. Maar niet onmogelijk. Zijn armen en handen zijn immers gezond. Ooit lukte het Ziko bijna om zijn eigen geld te verdienen. Met hulp van zijn broer volgde hij een opleiding tot tinslager. Zijn broer plantte zonnebloemen voor hem, en met de winst zou Ziko materialen kopen om voor zichzelf te beginnen. Maar nog voordat hij de bloemen kon oogsten, overleed zijn broer. Ziko wil niets liever dan opnieuw beginnen als tinslager. Maar geen bedrijf zal hem spontaan in dienst nemen. En geen bank zal hem een lening geven.

Inzetten op economische zelfredzaamheid kan mensen met een handicap helpen. Maar de verhalen van Ziko en Godofreda maken duidelijk dat het niet vanzelf gaat. Overheden en ontwikkelingsorganisaties zullen zich daarom extra moeten inspannen. Bovendien zal er altijd een groep gehandicapten blijven die niets aan economische projecten heeft. Zoals Rose Nthenda. Door haar verstandelijke beperking heeft ze levenslang zorg nodig. En dat geldt voor miljoenen armen met een handicap in ontwikkelingslanden. Kamerlid Jetta Klijnsma: “Deze mensen hebben niet gevraagd om een beperking. Ik heb geluk gehad. Ik heb spastische benen, en er is behoorlijk aan mij gesleuteld. Wanneer ik in een ontwikkelingsland was geboren, was ik nooit staatssecretaris of Kamerlid geworden. Het menselijke in ontwikkelingshulp mag niet teloor gaan.”

Nu delen: