Het gaat niet alleen slecht in Afrika

Spectrum, 10 september 2011

In de Hoorn van Afrika verhongeren weer mensen. Vooral in Somalië is een duurzame oplossing voor de honger en armoede nog ver weg, zegt Thea Hilhorst, hoogleraar Humanitaire hulp en wederopbouw. Maar in andere voormalige crisisgebieden, zoals Rwanda, gaat het inmiddels veel beter.In de hoorn van Afrika is het weer raak. In het gebied heerst de ergste droogte sinds 60 jaar en meer dan tien miljoen mensen hebben dringend behoefte aan voedsel en medicijnen. Hulporganisaties voerden massaal actie, met schrijnende foto’s van vluchtende families en stervende kinderen. De actie leverde tot nog toe 21 miljoen euro op. Maar onze tegenzin groeit: uit onderzoek van Motivaction blijkt dat de helft van Nederlanders niet van plan is om te geven aan Afrika. Steeds meer mensen twijfelen of de hulp wel goed terecht komt en vragen zich af waarom Afrika maar niet vooruit gaat. Lost noodhulp wel iets op? Is het niet beter om landen als Somalië, waar de honger het ergst is, aan hun lot over te laten?

De vragen zijn terecht. Toch moet er eerst een misverstand de wereld uit: het gaat wel degelijk beter met Afrika. Het afgelopen decennium zijn de meeste Afrikaanse economieën hard gegroeid, met gemiddeld 7 procent per jaar. Ook Afrika werd getroffen door de economische crisis, maar herstelde zich sneller dan Europa. Volgens het IMF groeien de economieën van zuidelijk Afrika dit jaar met gemiddeld 5,5%. Het Fonds verwacht dat de komende jaren maar liefst zeven Afrikaanse landen in de top 10 van de snelst groeiende economieën ter wereld staan. Nu levert een paar procent groei in een straatarm Afrikaans land nog weinig op. Maar bemoedigend is het wel.

Afrika wordt bovendien steeds veiliger. In de jaren 70 en 80 werd het continent nog verscheurd door tientallen oorlogen en conflicten. Vandaag reis je van Kenia naar Mali of van Tsjaad naar Mozambique zonder op oorlogen te stuiten. Op dit moment wordt er vooral nog gevochten in het zuiden van Nigeria, het westen van Soedan, het oosten van Congo en het zuiden van Somalië.

Ten slotte wordt voor veel Afrikanen het leven steeds beter. Die vooruitgang is er vooral op het gebied van onderwijs en gezondheidszorg. Volgens de Verenigde Naties gaan acht van de tien Afrikaanse kinderen gaan naar school. De kindersterfte daalt snel. Steeds meer mensen hebben toegang tot schoon water en de aidsepidemie is op zijn retour.

Genocide

Die hoopvolle ontwikkeling staat in schril contrast met de situatie in de hoorn van Afrika, vooral Somalië. Dat de hongersnood juist in Somalië toeslaat, ligt ogenschijnlijk voor de hand: het land is droog en schraal. Grote delen van Somalië zijn nauwelijks geschikt voor kleinschalige landbouw, waar het gros van de mensen van leeft. Een veel groter probleem is echter de politieke instabiliteit. Somalië raakte begin jaren 90 verzeild in een burgeroorlog. De hoofdstad Mogadishu, ooit de witte parel aan de Indische Oceaan, ligt er kapotgeschoten bij. Sinds 1991 heeft het land geen effectieve centrale regering meer. De radicaal-islamitische beweging Al Shabaab heeft grote delen van het land in handen, inclusief het gebied waar nu hongersnood heerst.

Somalië krijgt veel hulp uit het Westen. Per jaar ontvangt het 460 miljoen euro aan officiële ontwikkelingshulp, ongeveer 50 euro per inwoner per jaar. Dat geld komt vooral van de Verenigde Staten, die in de officiële regering van Somalië een bondgenoot ziet in de strijd tegen islamitisch terrorisme. Deze regering heeft vooralsnog echter zijn handen vol aan het bestrijden van Al Shabaab, en het terugwinnen van de controle over grote delen van het land. In de gebieden waar Al Shabaab regeert, hebben hulporganisaties te maken met intimidatie, afpersing en bedreiging.

Dat verklaart waarom ontwikkelingshulp weinig zoden aan de dijk zet. “Structurele ontwikkeling, dat is op dit moment niet te doen in Somalië”, zegt Thea Hilhorst, hoogleraar Humanitaire hulp en wederopbouw aan de Wageningen Universiteit. “Er is amper sprake van een staat. Zolang die er niet is, kun je met officiële hulp weinig bereiken. Er zal in Somalië eerst een politieke oplossing moeten komen.”

Massamoord

Is de situatie in Somalië uitzichtloos? Dat hoeft niet. Het gaat namelijk ook beter in Afrikaanse landen die er relatief kort geleden even slecht voorstonden als Somalië vandaag. Een indrukwekkend voorbeeld is Rwanda. In het voorjaar van 1994 was dit kleine land het toneel van een gruwelijke massamoord. Extremistische Hutu’s moordden bijna een miljoen Tutsi’s uit, op een bevolking van amper zeven miljoen mensen. Na de genocide werd meer dan een miljoen mensen gearresteerd op verdenking van moord, verkrachting, diefstal of medeplichtigheid. De nieuwe regering stond voor de haast onmogelijke taak om dit reddeloze en diep getraumatiseerde land weer op te bouwen.

Dat was 1994. Het verschil met 2011 kan niet groter zijn. Nog steeds worstelt tweederde van alle Rwandezen met de gevolgen van de genocide. Maar 17 jaar later is Rwanda een van de veiligste landen van Afrika. In de hoofdstad Kigali wandel je ’s avonds even onbekommerd op straat als in Enschede of Eindhoven. De prachtige natuur van Rwanda – het Toscane van Afrika – trekt steeds meer toeristen. Kinderarbeid zakte de afgelopen tien jaar van meer dan dertig procent naar minder dan tien procent. Het onderwijs bloeit: van alle jongeren kan meer dan 90 procent lezen en schrijven. De regering spant zich in om vrouwen vooruit te helpen. En met succes: 56 procent van alle parlementariërs in Rwanda is vrouw. Dat is het hoogste percentage ter wereld.

Ook Rwanda ontvangt veel ontwikkelingsgeld uit het Westen: zo’n 650 miljoen euro per jaar, ongeveer 65 euro per hoofd van bevolking. Dat geld wordt echter goed geïnvesteerd in onderwijs en gezondheidszorg, in het opbouwen van een rechtstraat en het herstel van de economie. Daar komt bij dat Rwanda volgens de Transparency International Index een van de minst corrupte landen van Afrika is. Wie betrapt wordt op het aannemen van smeergelden, vliegt eruit. Van president Paul Kagame wordt gezegd dat hij uiterst sober leeft. Hij ontvangt zijn internationale gasten niet met staatsbanketten in een paleis, maar met een glas water in een kaal kantoor.

“Het grote verschil met Somalië is dat Rwanda een sterke, krachtige regering heeft”, zegt Thea Hilhorst. “Die regering heeft na de genocide heel veel steun uit het buitenland gekregen. Daarmee heeft het land een enorme groei doorgemaakt.” De problemen in Rwanda zijn echter niet voorbij. De armoede is nog altijd hardnekkig. Op het platteland leeft meer dan de helft van de mensen van minder dan één dollar per dag. En de ‘sterke staat’ heeft een keerzijde: de regering laat weinig kritiek en oppositie toe. Hilhorst is er dan ook niet helemaal gerust op de toekomst: “Er zijn nog veel problemen. Het land is overbevolkt en er is weinig industrialisering. De opbouw gaat op de punt van het geweer: het land is bijna een dictatuur. Dat kan een tijd goed gaan, maar op een gegeven moment kan de sociale onrust weer gaan broeden.”

Het is waar dat een succesvol opgeklommen land als Rwanda weer af kan glijden. Het is even waar dat een schijnbaar uitzichtloos land als Somalië de weg omhoog kan vinden. Een politieke oplossing is echter vereist, voordat ontwikkelingshulp in Somalië echt effect kan sorteren. Tot die tijd zit er niet anders op dan noodhulp te geven, ook al groeit de tegenzin.

KADER: een koe per familie

Het gezin van Esther Hakizimana uit Rubengera kreeg een koe van de Rwandese overheid. Ze ontving bovendien een kleine lening voor een biogasinstallatie. Daarmee wordt de koeienpoep verwerkt tot biogas. Voor Esther betekent dat een enorme vooruitgang: ze hoeft geen hout meer te kopen en geen rook meer in te ademen. De koeien leveren bovendien mest voor haar akker. Het gezin heeft inmiddels drie koeien. Met de verkoop van melk vullen ze het gezinsinkomen aan met zo’n honderd euro per maand.

‘Een koe per familie’ is een programma waarmee de overheid de levensomstandigheden op het platteland probeert te verbeteren. Het is de bedoeling dat 350.000 arme families in Rwanda een koe ontvangen. De teller staat inmiddels op 92.000. De voorwaarde is dat het gezin het eerste kalf weggeeft aan een ander gezin in het dorp. Daarmee hoopt de regering het gemeenschapsgevoel te versterken dat tijdens de genocide aan flarden werd gescheurd.

Nu delen: