In de leercarrousel

Ze waren zo lekker bezig, de doe-het-zelvers in ontwikkelingsland. Maar anderhalf jaar geleden kregen ze onder uit de zak. Een kritisch onderzoek meldde dat het hen ontbrak aan lerend vermogen. Ze moesten leren wat ontwkkelingswerk werkellijk is. En dat gebeurt.

Teleurgesteld, verontwaardigd, ja ronduit boos. Dat waren de eerste reacties op het rapport ‘Development in the Africa for beginners’ uit 2007. Het was de eerste openbare studie naar de kwaliteit van ontwikkelingsprojecten van gewone burgers. Van mensen die na een vakantie in een arm land besluiten om ‘iets te doen’. Die vervolgens aan de keukentafel een ‘goed doel’ van de grond tillen en hulp bieden. Zichtbaar, kleinschalig en concreet, zonder dat er iets aan de strijkstok blijft hangen.

Maar met de kwaliteit van deze ‘burgerprojecten’ is veel mis, zo constateerde de Nijmeegse wetenschapper Lau Schulpen anderhalf jaar geleden. Schulpen zag dat veel particulieren in zee gingen met een toevallige contactpersoon, in plaats van een professionele organisatie. Hij zag dat de particulieren te weinig nadachten over de toekomst van hun project, en dat ze zich slecht verdiepten in de lokale omstandigheden. Maar wat Schulpen het meest verontrustte, was het gebrek aan lerend vermogen. ‘Particulieren die evalueren wat ze doen, zijn echt een uitzondering. Dat is bedroevend. Dat betekent dat je niet leert van je fouten.’ Dat was schrikken. Nogal wat particulieren waren boos. Wie was die onderzoeker nu helemaal om hén zo de les te lezen? De verontwaardiging zakte echter snel.. Vorig jaar ging Schulpen bij zo’n veertig groepen langs. “Het waren geanimeerde en inspirerende gesprekken’, zegt hij nu. “Natuurlijk stribbelden ze af en toe tegen. Maar wat me trof, was juist de openheid. Veel particulieren zeiden: ‘we herkennen zaken die jij zegt’. Zo’n openheid tref ik niet altijd bij professionele organisaties.”

Wordt het amateur-ontwikkelingswerk volwassen? Ja. Dat blijkt niet alleen uit de ‘volwassen’ reacties op Schulpens kritische onderzoek. Het blijkt ook uit het feit dat zij een vaste plek krijgen in het speelveld van ontwikkelingssamenwerking. In het oog springt bijvoorbeeld de naderende oprichting van PartIn, een branchevereniging voor particuliere initiatieven in de ontwikkelingshulp. De initiatiefnemers zijn Annie Manders van Equal Opportunity Fund en Mathieu Beurskens van Young Africa. “We willen een smoel geven aan het particulier initiatief”, zegt Mathieu Beurskens. “Er wordt nu vooral over ons gepraat, niet met ons.” Nu nog wordt nagedacht over de structuur en taken van PartIn, deze zomer wordt de club formeel opgericht. Zeker is dat, naast belangenbehartiging, ‘kwaliteit’ het belangrijkste aandachtsgebied van PartIn wordt.

Starters en experts
Daarmee zet PartIn de boodschap uit Schulpens onderzoek hoog op de agenda: ontwikkelingswerkers, of ze nu professional zijn of amateur, moeten kwaliteit leveren. De tijd is voorbij dat ze lof kregen toegezwaaid, alleen maar omdat ze zo hartverwarmend betrokken waren. Vandaag mogen er eisen aan hun werk worden gesteld.

De vraag is alleen: hoe doe je dat? Hoe krijg je amateur-ontwikkelaars zo ver om kritisch naar zichzelf te kijken? Wat moeten ze leren, en wat willen ze leren? Van wie willen ze leren, en hoe leren ze het liefst?
NCDO, een organisatie die burgers betrekt bij ontwikkelingssamenwerking, probeerde daar het afgelopen jaar inzicht in te krijgen. Uit haar onderzoek blijkt dat er sterke verschillen zijn tussen ‘starters’ en ‘meer ervaren’ ontwikkelingswerkers. Mensen die net beginnen, hebben meestal geen cent over voor een cursus of workshop. Maar hoe meer ervaren men wordt, hoe meer bereidheid er is om tijd en geld te investeren in het vergaren van kennis. Vooral cursussen en netwerkbijeenkomsten zijn dan populair.

Gek genoeg lijken deze burgers zelf niet echt te beseffen dat aan het ‘leren’ zijn. Wanneer je ’t hen vraagt, blijken ‘reflectie en zelfkritiek’ geen belangrijke thema’s te zijn, zo constateert het onderzoek. Maar dat betekent niet dat er niet wordt geleerd, zegt Arnaut Eimers van NCDO. “Velen beginnen met een relatief eenvoudig bouwproject. Daarna evolueren ze naar meer complexe projecten”. Volgens Eimers kan dat alleen “als je op voorhand bereid bent om te leren en je verder te ontwikkelen”.

Daarmee zit het dus wel goed. Uit het NCDO-onderzoek verrijst het beeld van een groep leergierige, ervaren doe-het-zelvers, die graag hun kennis willen opkrikken. Interessant is hun voorliefde voor cursussen. Die volgen zij in de regel bij professionele organisaties, zoals Impulsis, Cordaid en NCDO. Deze organisaties hebben een subsidieloket voor particulieren. Mensen met projecten in het Zuiden kunnen daar aankloppen voor geld. Elk jaar doen bijna 4000 groepen een aanvraag bij zo’n loket.

Professionals organisaties spelen een steeds belangrijkere rol in de kwaliteitsverbetering van particuliere projecten. Het is een rol die ze ook willen spelen. Zo schroeven de subsidieloketten hun eisen aan de projectaanvragen steeds meer op. Alleen de beste projecten komen in aanmerking voor geld. Daarmee hopen subsidiegevers mensen aan te zetten om vooraf goed na te denken over hun project. Subsidiegever Impulsis werkt de meeste groepen bovendien jarenlang samen. Volgens relatiebeheerder Gerhard Schuil is dat belangrijk: ‘Het is nagenoeg onmogelijk om kwaliteitsverbetering tot stand brengen in één kortlopend project.’
Wanneer het geld is overgemaakt, gaat de invloed van subsidiegevers door. De loketten organiseren cursussen, themabijeenkomsten en landendagen voor hun klanten. Op cursussen leren particulieren bijvoorbeeld hoe ze een projectplan moeten schrijven. Tijdens themabijeenkomsten gaan zij dieper in op één onderwerp, bijvoorbeeld gezondheidszorg. En de landendagen brengen groepen samen die in hetzelfde land actief zijn, om ervaringen uit te wisselen en van elkaar te leren.

Een aantal subsidieloketten gaat nog een stap verder. Cordaid, Impulsis en NCDO zetten steunpunten op in ontwikkelingslanden zélf, bedoeld voor lokale partners van Nederlandse vrijwilligersgroepen. Uit eigen onderzoek concludeerden zij dat daar grote behoefte aan is. Zo zet Cordaid binnenkort consultants aan het werk in India, Ghana en Suriname. Zij gaan bij de projecten op werkbezoek. ‘We kunnen een consultant vragen om te kijken naar de begroting of de financiële verantwoording’, zegt Ronald Lucardie van Cordaid. ‘Of hij kan de vraag krijgen om een analyse te maken van de omstandigheden. Is er bij de bouw van een schooltje bijvoorbeeld voldoende aansluiting gezocht bij lokale organisaties? Zijn er budgetplannen voor de langere termijn?’ Het inschakelen van een consultant gebeurt in overleg met de Nederlandse vrijwilligers en hun partners in het ontwikkelingsland, zegt Lucardie. Hij benadrukt dat de consultants geen evaluatoren of inspecteurs zijn. Kwaliteitsverbetering en advisering staat voorop.

Luisteren
Helpen de scherpere criteria, de cursussen en werkbezoeken om de kwaliteit van burgerprojecten omhoog te krijgen? Waren velen hun project niet juist begonnen omdat zij het ánders, béter, wilden aanpakken dan ‘de groten’?

Amper. Van een strijd tussen de ‘groten’ en de ‘kleintjes’ is in de praktijk weinig terug te vinden. De meer ervaren doe-het-zelver wil maar al te graag in de leer bij professionals. En dat werpt vruchten af. Een vorig jaar verschenen studie concludeert dat projecten die subsidie kregen van Wilde Ganzen en Impulsis, kwalitatief beter zijn dan projecten die géén subsidie kregen. De verklaring ligt voor de hand dat subsidiegevers de amateur-ontwikkelaars aanzetten tot een andere, betere aanpak. Met andere woorden: met hun kwaliteitscriteria, cursussen en themadagen lijken de grote organisaties daadwerkelijk invloed uit te oefenen op het werk van betrokken burgers.

Doe-het-zelvers halen niet alleen kennis bij de professionals. Ze leren ook van elkaar. Zo helpen Young Africa en Equal Opportunity Fund beginnende collega-stichtingen met advies en praktische ondersteuning. Een relatief jong peer-to-peer initiatief is de 1%CLUB, een online marktplaats voor ontwikkelingsprojecten. Particulieren posten er ‘hun’ project, waarna bezoekers kunnen kiezen en doneren. De 1%CLUB heeft een medewerker die de aanvragen beoordeelt voordat ze online gaan. Maar, zo is de bedoeling, die rol moet worden overgenomen door de subsidiegevers zélf. De club ontwikkelt momenteel een scorekaart, waarmee bezoekers van de site de ingediende projecten kunnen volgen en evalueren. ‘Collectieve intelligentie’, noemen ze dat bij de 1%CLUB. Zo wil de organisatie toegroeien naar een systeem waarin de selectie van projecten en de controle uiteindelijk volledig gebeurt door de bezoekers. Dat gaat een forse stap verder dan het uitwisselen van ervaringen.

Wijsheid
De leercarrousel draait. En dat is goed. Particuliere initiatieven die deelnamen aan diverse onderzoeken zeggen dat ze veel kennis hebben vergaard. Als ze opnieuw zouden moeten beginnen met de wijsheid van nu, dan hadden ze veel zaken anders aangepakt.

Ook de subsidiegevers zeggen dat de kennis toeneemt. “We krijgen vragen die we in het begin nooit voorbij zagen komen”, zegt Gerhard Schuil van Impulsis. “Particulieren denken nu niet alleen na hoe ze een project op moeten zetten, ze zijn nu ook bezig met hun ‘exit strategy’. We zien ook dat groepen die al een tijdje bezig zijn, behoefte krijgen aan reflectie.” Onderzoeker Lau Schulpen, wiens kritische onderzoek het thema op de kaart zette, is iets voorzichtiger: “De openheid tijdens de gesprekken is groot, maar ik heb geen zicht op wat er vervolgens gebeurt.” Schulpen benadrukt dat meer systematisch onderzoek nodig is en blijft. Zijn instituut, het CIDIN, doet momenteel onderzoek naar de manier waarop particuliere initiatieven zich in de loop van de tijd ontwikkelen. Het CIDIN wil weten of het type projecten dat zij steunen verandert, of hun organisatie groeit, en of hun visie op ontwikkelingssamenwerking anders wordt. De eerste resultaten worden dit voorjaar verwacht.

Maar er is ook nog iets wat niemand weet. Hoe zit het met particuliere initiatieven die géén geld aanvragen? Die geen steun en advies zoeken? Wat doen bijvoorbeeld groepen die door de strengere eisen buiten de boot vallen? Zij blijven buiten het bereik van alle onderzoekers, buiten het bereik van de officiële ontwikkelingsorganisaties, buiten bereik van cursussen en workshops en dus buiten bereik en begeleiding en feedback. Het wordt een heel karwei om hen in de carrousel te krijgen.

Nu delen: