Begrijpen hoe de media ons beeld van de wereld beïnvloeden, dat vind ik belangrijk. In januari 2018 promoveerde ik op een onderzoek naar de framing van wereldwijde armoede in de media. Mijn proefschrift is hier te bestellen

Als journalist vertaal ik mijn inzichten over media-impact voor een breder publiek. Op deze website vind je mijn artikelen en blogs.

Mijn kennis deel ik graag met mensen en organisaties die meer grip willen krijgen op mediabeeldvorming en hun eigen rol daarin. Neem gerust contact met me op.

Uitnodiging promotie

Vertel de jeugd een nieuw verhaal

Nederlanders lopen rond met een achterhaald beeld van ontwikkelingslanden. Leraren hebben de kans dat te veranderen, vindt mediaonderzoeker en sociaal geograaf Mirjam Vossen. Ze promoveerde onlangs op een onderzoek naar de mediabeeldvorming over wereldwijde armoede.

Tijdschrift Geografie, maart 2018

Wanneer we demografen mogen geloven, woont binnenkort één-derde van de wereldbevolking in Afrika. Meer dan de helft van de wereldbevolking leeft vandaag al in ontwikkelingslanden. En Nederlanders weten er vreselijk weinig van. Vraag het maar eens aan de borreltafel. Neemt wereldwijd extreme armoede nu toe of af, gemeten vanaf 1990? Hebben wereldwijd meer of minder mensen toegang tot schoon water? Vallen in ontwikkelingslanden nu meer of minder slachtoffers door oorlog en geweld? Stijgt of daalt de levensverwachting in sub-Sahara Afrika?

Docenten aardrijkskunde kennen de antwoorden natuurlijk: sinds 1990 daalde extreme armoede met meer dan de helft van 1,85 miljard mensen naar rond de 700 miljoen. Daarmee ontsnapt een kwart miljoen mensen per dag aan deze abjecte armoede. Nog maar 10 procent van de wereldbevolking moet rondkomen van minder dan 1,90 dollar per dag – de absolute armoedegrens. In 1990 was dat nog een derde van de wereld. In diezelfde periode steeg de levensverwachting in sub-Sahara Afrika van 50 naar 60 jaar. Ook werden ontwikkelingslanden de afgelopen decennia veel veiliger. Het grootste gewapende conflict in Afrika is dat in Somalië, waar in 2016 5.700 dodelijke slachtoffers vielen. Dat aantal is niet meer te vergelijken met de miljoenen uit Afrikaanse conflicten in de vorige eeuw. Het zijn allemaal cijfers van instituten als de Wereldbank of de Wereldgezondheidsorganisatie, en naar we mogen verwachten de beste cijfers die er op dit terrein zijn.

Deskundigen kennen de antwoorden, maar dat geldt niet voor de gemiddelde Nederlander. Een organisatie waar ik als adviseur aan verbonden ben – World’s Best News – zocht met onderzoeksbureau Motivaction uit wat de Nederlander van ontwikkelingslanden weet. De antwoorden zijn even fascinerend als onthutsend. 94 procent van de Nederlanders denkt dat mensen in ontwikkelingslanden er niet veiliger of zelfs onveiliger op geworden zijn, 84 procent meent dat de armoede gelijk is gebleven of erger is geworden en 75 procent denkt dat mensen in ontwikkelingslanden vandaag minder gezond zijn dan vroeger. De kloof tussen wat we dénken over mensen in ontwikkelingslanden en de realiteit waarin deze mensen leven is immens. Ergens gaat iets helemaal mis in de overdracht van kennis. Hoe dan ook zouden we moeten proberen deze kloof tussen perceptie en werkelijkheid te verkleinen. En wie anders dan aardrijkskundeleraren zouden daar een mooie bijdrage aan kunnen leveren?

Nederlandse media

Dat ik deze oproep doe, komt niet uit de lucht vallen. In januari promoveerde ik in Nijmegen op een onderzoek naar de beeldvorming van mondiale armoede in de Europese media, onder andere in Nederland. Nieuwsberichten, reportages in de krant, campagnespotjes van ontwikkelingsorganisaties: wat vertellen ze ons eigenlijk over armoede? Hoe wordt armoede in ontwikkelingslanden hier geframed?

Het woord ‘framen’ leidt nogal eens tot opgetrokken wenkbrauwen. Het roept associaties op met doelbewuste manipulatie en misleiding, vergelijkbaar met ‘spinnen’ door gehaaide ‘spindokters’ van politieke partijen. In de communicatiewetenschap is framen echter een neutrale term. Framing gaat over het benadrukken van bepaalde aspecten van een onderwerp. Dat doe je met de keuze van woorden, beelden, metaforen en onderliggende redeneringen. Vaak gebeurt het onbewust en doorgaans zonder foute bedoelingen. Met framing wakker je bij de ontvanger bepaalde emoties en wereldbeelden aan. Journalisten doen dat in hun artikelen, politici tijdens een debat, gewone Nederlanders in een discussie in de kroeg en ja, docenten doen het in de klas. Er is niets geheimzinnigs aan, het is een onvermijdelijk onderdeel van onze discussies, kennisuitwisseling en alledaagse gesprekken. Je moet uit het overweldigende aanbod van feiten, ideeën en verhalen nu eenmaal een keuze maken. Dat geldt dus ook voor onze feiten, ideeën en verhalen van mondiale armoede.

In mijn onderzoek beschreef ik negen frames over armoede die wereldwijd worden gebruikt. Sommige van die frames komen in Nederland vrijwel niet voor. Dat geldt bijvoorbeeld voor het frame ‘Ieder voor zich’, dat je vaker in de Verenigde Staten aantreft. Dat frame stelt dat de armen zelf verantwoordelijk zijn voor het ontstaan en het oplossen van hun problemen. Ook het frame ‘the chain of being’ kom je bij ons niet vaak tegen. Dat stelt dat de armen hun lot eenvoudigweg moeten accepteren. Je vindt het eerder in India, waar het aansluit bij het hindoeïstische denken in karma en kasten.

In Nederland overheersen vier andere armoedeframes. Een populair armoedeframe is  dat van het ‘onschuldige slachtoffer’. Mensen in ontwikkelingslanden lijden aan ziektes, honger en gebrek, ze kunnen niets aan hun omstandigheden doen. We herkennen dit frame bijvoorbeeld aan woorden als ‘uitgeput’, ‘verschrikkelijk’ en ‘tragisch’, en aan beelden van uitgehongerde kinderen of ontredderde mensen tussen de puinhopen van een aardbeving. De morele boodschap van dit frame is dat ‘zij’ onschuldige slachtoffers zijn en ‘wij’ de morele plicht hebben om hun nood te verlichten. Dit ‘slachtofferframe’ zien we veel in noodhulpcampagnes van ontwikkelingsorganisaties en in nieuwsberichten in kranten na hongersnoden, rampen of vluchtelingencrises.

Gebrek aan vooruitgang

Een al even populair frame, is dat van ‘gebrek aan vooruitgang’. Onderwijs, gezondheidszorg, voedselzekerheid – op al deze fronten blijven ontwikkelingslanden achter. Het woord ‘ontwikkelingsland’ zelf is al een verwijzing naar dit frame. Het frame is bijvoorbeeld te herkennen aan beelden van overvolle klassen of gebrekkige watervoorzieningen. Het portretteert mensen niet zozeer als zielig, maar suggereert opnieuw dat ‘wij’ een rol hebben: wij zijn immers een stap verder dan hen, we kunnen hun ontwikkeling bevorderen met geld en kennis. In krantennieuws over ontwikkelingslanden is ‘gebrek aan vooruitgang’ het belangrijkste frame. Nog een frame dat je vaak tegenkomt in het nieuws, is dat van ‘slecht bestuur’: ontwikkelingslanden zijn arm omdat corrupte leiders oorlogen voeren en hun zakken vullen over de rug van gewone mensen. Ontwikkelingsorganisaties daarentegen gebruiken nogal eens het frame van ‘sociale rechtvaardigheid’: armoede is een kwestie van ongelijke kansen en ongelijke verdeling.

Maar het zijn de vooral de frames van het ‘onschuldige slachtoffer’ en ‘gebrek aan vooruitgang’ die domineren in de media. Aan die frames op zich is niets verkeerds: er bestaat niet zoiets als ‘goede’ of ‘foute’ frames. Wel kun je je vragen stellen bij het effect dat de framing heeft op de ontvangers van de boodschap. Je kunt je afvragen of dat het effect is dat je wilt. En in dat licht vind de dominantie in de media van ‘slachtoffers’ en ‘gebrek aan vooruitgang’ in het Nederlandse beeld van armoede om verschillende reden problematisch.

Enorme vooruitgang

Het eerste probleem: de overheersende frames belichten vrijwel alleen de ellende en problemen in ontwikkelingslanden. Dat lijkt een vreemd kritiekpunt, want extreme armoede ís natuurlijk ook problematisch. Maar wie wat verder kijkt, ziet dat er ook een ander verhaal over te vertellen valt. Armoede neemt immers af – en niet zo’n beetje ook. Dat in 25 jaar tijd  het aandeel mensen in extreme armoede meer dan halveerde, is een enorme stap vooruit. Nooit eerder in de geschiedenis sprongen zoveel mensen uit extreme armoede. Nooit eerder gingen zoveel kinderen in Afrika naar de basisschool: inmiddels zijn het er 8 op de 10. Ziektes als malaria, tuberculose, lepra en hiv – ze worden effectiever dan ooit bestreden, de aantallen slachtoffers dalen met de miljoenen. Dagelijks.

Deze vooruitgang in ontwikkelingslanden is enorm – maar we horen er echter zelden over. In de krant wordt elk hoopvol verhaal over ontwikkelingslanden overschaduwd door drie verhalen die de problemen en ellende benadrukken. Voor veel journalisten geldt immers het motto ‘goed nieuws is geen nieuws’, als vanzelfsprekend richten ze hun aandacht op misstanden. Ook ontwikkelingsorganisaties vertellen ons keer op keer dat er nog steeds mensen zijn zonder drinkwater, onderwijs of medicijnen. In hun campagnespotjes zien we zelden wat er intussen – nota bene dankzij hún inzet – al is bereikt. Geen wonder dat we met zijn allen denken dat het niet opschiet in Afrika.

Afhankelijkheid

En daarmee komen we op het tweede probleem met de mediaframing: ze belicht vooral de afhankelijkheid van mensen in ontwikkelingslanden. Dat doen niet alleen journalisten, dat doen vooral advertenties en campagnes van ontwikkelingsorganisaties. Die vertellen ons doorlopend dat wij, in het rijke westen, iets aan de problemen in het arme zuiden moeten doen. Ook dat lijkt misschien een vreemd punt van kritiek: natuurlijk moeten we ons het lot van miljoenen vluchtelingen of mensen in extreme armoede aantrekken. Bovendien kunnen ontwikkelingsorganisaties niets doen zonder geld op te halen, en dat doen ze door donateurs te vertellen hoe groot de problemen nog zijn.

Maar ook daar is iets tegenin te brengen. Want ontwikkelingsorganisatie vinden het namelijk cruciaal dat mensen in ontwikkelingslanden zélf aan het roer staan. Het zijn ontwikkelingswerkers, overheden, ondernemers, artsen en onderwijzers in Afrika, Azië en Latijns-Amerika die initiatief nemen en plannen maken. De verantwoordelijkheid voor armoedebestrijding ligt bij hén, en niet bij ons. Nederlandse ontwikkelingsorganisaties kunnen ervoor kiezen om dat in hun campagnespotjes in beeld te brengen: laten zien dat lokale onderwijzers, gezondheidswerkers en ondernemers de handen uit de mouwen steken. Dan laten ze zien wie er – met hulp van donaties – de vooruitgang voor elkaar bokst.

Dat gebeurt echter zelden. De meeste spotjes brengen simpelweg een behoeftig persoon uit Azië of Afrika in beeld, vaak een onschuldig kind, vergezeld van een directe oproep aan de donateur om hem of haar te redden, of een betere toekomst te geven. Het zijn spotjes die – zo is het verweer van deze organisaties – op korte termijn het meeste geld binnenbrengen. Belangrijk, maar tegelijkertijd leert het Nederlandse publiek ook dat mensen in ontwikkelingslanden zelf niets voor elkaar krijgen.

Generaties gevoed

Ontwikkelingslanden zijn oorden vol ellende, het gaat er maar niet vooruit, mensen kunnen het niet zelf. Dat is, in een notendop, het verhaal waarmee generaties Nederlanders zijn gevoed – en nog elke dag door de media en door ontwikkelingsorganisaties worden gevoed. En dat is terug te zien in de manier waarop ze over ontwikkelingslanden denken. Afgelopen herfst vroegen World’s Best News en Motivaction een representatieve groep Nederlanders hoeveel kinderen wereldwijd er volgens hen vandaag naar de basisschool gaat. Het juiste antwoord is 91 procent. Er was niemand die dat wist. Slechts 2 procent van de mensen kwam in de buurt van het goede antwoord.

Journalisten en ontwikkelingsorganisaties zouden er goed aan doen om hun framing tegen het licht te houden en te herzien. Maar zij zijn de enigen niet. Die verantwoordelijkheid rust ook op het onderwijs. Aan de lesboeken van mijn kinderen zie ik dat er sinds mijn eigen middelbare schooltijd gelukkig al veel is veranderd. Maar bij die lesboeken hoort ook het verhaal van de docent. Zij hebben de unieke kans om een draai te geven aan de beeldvorming. Zij kunnen een jonge generatie voeden met een nieuw verhaal over Afrika, Azië en Latijns-Amerika. Een eigentijds verhaal, afgestoft en opgepoetst, dat spoort met de feitelijke trends en ontwikkelingen. Een verhaal dat bovendien meer recht doet aan de inwoners, door te belichten hoe overheden, organisaties en mensen in deze landen zélf een rol spelen in de vooruitgang. Een verhaal dat benadrukt dat er niet alleen grote problemen op de wereld zijn, maar dat we ook bezig zijn die problemen op te lossen. En dat we daar, wat betreft extreme armoede, steeds beter in slagen.

Mirjam Vossen is sociaal geograaf, journalist en mediaonderzoeker. Ze promoveerde op 9 januari aan de Radboud Universiteit op het proefschrift ‘Framing Global Poverty’

Leave a Reply

You can use these HTML tags

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>

  

  

  

Time limit is exhausted. Please reload the CAPTCHA.