Afrika heeft nieuwe beelden nodig

n’GO magazine, juni 2013

Mijn neefje Jesse van 9 gaat deze maand knutselwerkjes verkopen voor de kinderen in Afrika. Met twee vriendjes is hij ijverig in de weer met touw, lijm en papier en met het fraaie resultaat staan ze straks achter de kraam op de fancy fair van hun school. De opbrengst is voor Benin. Want, zo weet Jesse, ‘de kinderen daar hebben niets’. Met het geld van de markt kunnen ze misschien pennen en schriften kopen.

Jesse vertelt het mij met rode konen en ik ben geroerd. Een jongen van 9 met het morele besef dat hij zich moet inzetten voor kinderen die het minder hebben: fantastisch. Maar er bekruipt me ook een gevoel van ongemak. Hier staat een jongen van 9, die nooit in Afrika is geweest, maar die één ding zeker weet: de kinderen zijn er arm, en wij moeten hen helpen.

Met dit stereotype beeld van Afrika als oord van gebrek, dat het niet redt zonder hulp van ons, zijn inmiddels twee of drie generaties opgegroeid. Dat heeft ontegenzeggelijk veel goeds gebracht. Miljoenen mensen voelen zich betrokken bij mondiale armoede en doneren aan hulporganisaties, waarmee miljoenen anderen weer een stap vooruit kunnen zetten.

Maar zoetjesaan groeit de kritiek op de bij-effecten van dit stereotype beeld van Afrika. In de eerste plaats omdat het steeds minder klopt, nu Afrika op vele fronten vooruitgang boekt. In de tweede plaats omdat het , onbedoeld, de nadruk legt op het verschil tussen hen en ons, in plaats van de gelijkheid. En in de derde plaats omdat het op termijn onze betrokkenheid onderuit kan halen. Jesse knutselt nu nog enthousiast voor de kinderen in Benin. Maar wat als hij 40 is, en hoort dat daar nog steeds geld nodig is voor schooltjes?

Los van de werkelijkheid

Als journalist en onderzoeker ben ik gefascineerd door het onderwerp beeldvorming van Afrika, armoede en ontwikkelingssamenwerking. Het zijn thema´s waarover we allemaal een mening hebben, terwijl voor de meesten van ons geldt dat we er nooit zijn geweest en er nauwelijks iets vanaf weten. Ons beeld ontwikkelt zich los van de werkelijkheid. We pikken het op uit verhalen die we horen en foto’s en documentaires die we zien in de media.

De makers van beelden en verhalen over Afrika doen dat vanuit bepaalde denkramen of ‘frames’: ze vertellen hun verhaal met bepaalde woorden, feiten, metaforen en foto’s, waarmee ze, bewust of onbewust, emoties, overtuigingen en meningen bij lezers en luisteraars te versterken. Journalisten doen dat wanneer ze een reportage over Afrika maken en politici wanneer ze hun beleidslijn voor ontwikkelingssamenwerking presenteren. Hoe vaker een frame wordt herhaald, hoe sterker het blijft hangen bij de ontvangers. Ook ontwikkelingsorganisaties bedienen zich van frames. Zoals het beeld van een Afrikaans kind met een hongerbuik in een campagne. Dat roept compassie op en motiveert mensen om te helpen.

Zo’n ‘liefdadigheidsframe’ is beslist niet het enige dat frame dat ontwikkelingsorganisaties gebruiken. Maar het is wel het frame wat in Nederland momenteel hevig ter discussie staat. Bij steeds meer ngo’s groeit het besef dat dit stereotype frame bijdraagt aan een ‘hulpmoeheid’, en dat zij daar zelf aan bijdragen door het in hun campagnes te gebruiken. Wanneer mensen jaar in jaar uit een oproep om hulp krijgen voorgeschoteld, dan blijven ze overtuigd dat het in Afrika kommer en kwel is, en dat al die hulp kennelijk ook weinig uithaalt.

Duivels dilemma

Het moet dus anders, evenwichtiger en pluriformer. Maar hoe precies? Daar raken ontwikkelingsorganisaties in een duivels dilemma. Want hoeveel kritiek er ook is op het gebruik van ‘zielige’ beelden, ze leveren nog altijd de meeste donaties op. Cordaid Mensen in Nood probeerde het enkele jaren geleden over een andere boeg te gooien, met een excentrieke campagne van Masai mannen en –vrouwen. Die poseerden uitdagend met flesjes parfum, zonnebrillen en handtassen, alsof het om een reclame van Louis Vutton ging. Hier blikten geen hulpbehoevende kinderen, maar stoere en zelfbewuste Afrikanen in de camera. Helaas bracht de campagne ook minder geld op dan verwacht. Stoere beelden mogen goed zijn voor de beeldvorming van Afrika, ze brengen op korte termijn ook minder op voor projecten voor diezelfde Afrikanen.

Vooralsnog levert dit dilemma verhitte discussies op tussen fondsenwervers en programmamedewerkers van ontwikkelingsorganisaties. Ik hoop dat zij het aandurven om meer te experimenteren met nieuwe beelden en nieuwe vormen van communicatie. Ik hoop dat het hen lukt om het stereotype ‘liefdadigheidsframe’ achter zich te laten en er nieuwe beelden voor in de plaats te zetten. Zodat mijn neefje Jesse bij ‘Afrika’ voortaan ook denkt aan kinderen met een smartphone, die in een gewoon huis wonen met water en stroom, en die net als hij graag een potje voetballen in het weekend.